Blog

Longread: RVA en de interpretatie van “het taakloon”

Opinie en juridische analyse

De RVA voerde recent een aantal aanpassingen door in verband met de interpretatie van de voordeelregels (in de werkloosheid) voor kunstenaars (of het kunstenaarsstatuut) . In deze longread lees je meer over de visie van t-heater omtrent deze aanpassingen en bespreken we het juridische kader van de situatie. 

De aanpassingen aan de interpretatie, die de RVA doorvoerde, houden een ernstige verstrenging in van de geldende regels. En meer specifiek, van de regels in het Artikel 10MB van de werkloosheidsreglementering. Artikel 10MB gaat over de cachetberekening van de prestaties in taakloon. Het is definitie van “het taakloon” die anders wordt geïnterpreteerd.
 

Waar gaat het over? 

Even kaderen: de wet zegt dat er sprake is van een taakloon wanneer er "geen rechtstreeks verband is tussen loon en het aantal arbeidsuren".

De RVA interpreteert dit nu, veertien jaar na datum, als volgt:  wanneer in de barema’s van het paritair comité waarin de prestatie plaatsvindt uurtarieven vermeld staan, impliceert dit een rechtstreeks verband tussen het loon en de arbeidsuren. In dat geval kan er dus geen sprake zijn van een taakloon. 

Dit is niet alleen bedenkelijk, het gaat ook voorbij aan de geest van de wet in kwestie.
Het klopt dat de RVA de wetgeving dient te interpreteren. Maar dat betekent niet dat een interpretatie met deze grote impact ook legitiem en correct is. Het gaat hier naar onze mening verder dan gewoon interpreteren.

Wat drijft de RVA om dit te doen, in het volle besef dat ze hiermee de sector op z’n kop zetten? 

Ten eerste worden de regels af en toe misbruikt, en spreekt het voor zich dat de RVA dit misbruik niet kan toelaten. De organisaties die dit soort misbruiken al jaren in stand houden hebben weinig geleerd van de vorige verstrenging in 2014 die ook de individuele kunstenaars benadeelde. Intussen breiden deze oneigenlijke gebruiken zich meer en meer uit. Organisaties die beweren de rechten van de kunstenaars te verdedigen, hollen de regels uit en treden zo onrechtstreeks de situatie van de kunstenaars in België met de voeten. 

Samen met redenen die zich afspelen buiten uw en ons gezichtsveld, draagt dit misbruik bij aan de herhaaldelijke verstrenging van de regels. Met de huidige aanpassing als triest dieptepunt.

Analyse

In onze poging de beweegredenen van de RVA te begrijpen, hebben we hen een aantal concrete vragen gesteld. In hun antwoorden valt meteen op dat voor een deel van de technisch-juridische beweegredenen van de RVA wel iets te zeggen valt. Hun redeneringen zijn niet uit de lucht gegrepen en in tegenstelling tot enkele hysterische stemmen in het debat, niet op willekeur gestoeld.

Eva Meyer, juridisch adviseur voor t-heater, ging aan de slag met de beschikbare elementen en antwoorden. Haar conclusie laat niet veel aan de verbeelding over:

De RVA merkt op dat Art10MB in het algemeen en het begrip taakloon in het bijzonder, een uitzonderingsartikel is en dient te blijven. We zijn het ermee eens dat deze voordeelregel in het leven werd geroepen ter bescherming van een specifieke doelgroep, nl kunstenaars die tewerkgesteld worden met een taakloon. Elke andere vorm van tewerkstelling valt inderdaad niet onder dit uitzonderingsartikel en hiervoor dienen de algemene regels toegepast worden.

Het standpunt van de RVA komt er op neer dat  er nog slechts twee situaties zijn waarin een taakloon past in de interpretatie die zij eraan geven in het kader van  Art10MB:

  • Overeenkomsten onder 1Bis.

→We volgen die redenering dat, aangezien het arbeidsrecht niet van toepassing is op deze overeenkomsten, een taakloon verenigbaar moet zijn met overeenkomsten onder 1Bis

  • Arbeidsovereenkomsten voor bepaald werk voor scheppende kunstenaars die betaald worden met een taakloon.

→We volgen ook deze redenering dat voor deze categorie het verband tussen de betaling van het loon en de gewerkte dagen niet kan vastgesteld worden.

Maar wanneer we de redenering van de RVA doortrekken, zou het mogelijk moeten zijn om een taakloon ook toe te passen in onderstaande gevallen:

Arbeidsovereenkomsten voor bepaald werk voor uitvoerende kunstenaars onder taakloon.
Een voorbeeld kan hierin verduidelijking brengen:

→Een sessiemuzikant wordt gevraagd de gitaarpartijen voor een album in te spelen. Hij spreekt hiervoor een bedrag van €2000 af. De sessiemuzikant tekent een contract voor bepaald werk, namelijk het inspelen van de gitaarpartijen.

Het gaat hier duidelijk om een uitvoerende kunstenaar die een vergoeding krijgt voor het uitvoeren van een welomschreven taak. In zijn interpretatie volgde RVA tot nu toe de regel dat een arbeidsovereenkomst voor bepaald werk, enkel voor scheppende kunstenaars onder taakloon kon opgemaakt worden. We moeten vaststellen dat het onderscheid tussen scheppende kunstenaars en uitvoerende kunstenaars niet geoorloofd is bij het toetsen van de definitie van een taakloon bij een arbeidsovereenkomst voor bepaald werk.

Arbeidsovereenkomst voor welbepaalde duur voor kunstenaars, onder taakloon.
Voor de goede redenering gaan we uit van hetzelfde voorbeeld als hierboven.

→Een sessiemuzikant wordt gevraagd de gitaarpartijen voor een album in te spelen. Hij spreekt hiervoor een bedrag van €2000 af. Maar deze keer tekent de sessiemuzikant een arbeidsovereenkomst voor twee weken. Immers, hij en de betrokken producer/opdrachtgever schatten in dat dit de termijn is die maximaal nodig is voor het opleveren van de opname.

►De verloning die deze muzikant krijgt, is nog steeds niet gelieerd aan het feit dat dit een contract van twee weken is. Wel aan de taak die van hem verwacht wordt, namelijk het inspelen van een gitaarpartij. De verloning verandert niet als de opname vroeger opgeleverd wordt.
►Onze redenering wordt ondersteund door een antwoord dat we in 2014 ontvingen van FOD WASO naar aanleiding van onze vraag over hoe we een taakloon als werkgever dienen te beschouwen. Ik citeer de betrokken passages:

“In de eerste plaats dien ik op te merken dat arbeidstijd en bezoldiging (loon) in beginsel los van elkaar staan.

Het recht op loon is verbonden met het verrichten van arbeid. Arbeidstijd daarentegen is naar Belgisch recht de tijd gedurende welke de werknemer ter beschikking staat van zijn werkgever. De wet bepaalt enkel dat de werknemer recht heeft op het overeengekomen loon.

Zo kan bedongen zijn dat de werknemer toch recht heeft op loon voor de periode die niet als arbeidstijd kan worden beschouwd, of omgekeerd, geen recht heeft op loon (of een lager tarief) voor bepaalde periodes die wel als arbeidstijd dienen te worden gekwalificeerd.

Het is niet alleen bij werknemers die met een taakloon worden vergoed dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het loon en het aantal verrichte arbeidsuren. Dat geldt evengoed voor alle werknemers die met een forfaitair maandloon worden betaald: een bediende met een vast maandloon zal bv. evenveel loon ontvangen voor de maand februari (maand met 20 werkdagen in 2014) als voor de maand maart (maand met 21 werkdagen in 2014).”

Het al of niet afsluiten van een overeenkomst voor bepaalde duur sluit bijgevolg niet per definitie uit dat de vergoeding die voor de geleverde prestaties werd betaald, een vergoeding onder taakloon is. Het enige wat deze overeenkomst stelt, is dat de artiest twee weken ter beschikking staat van de werkgever waarmee hij de overeenkomst getekend heeft.

Het is volgens ons dan ook manifest onjuist om deze artiesten consequent en altijd uit te sluiten van de voordeelregel van Art10MB. Deze interpretatie van de RVA is te streng en gaat voorbij aan de geest van de wet, waarbij gezocht werd sociale bescherming te voorzien voor een specifieke doelgroep.

Tot slot willen we meegeven dat we de bezorgdheid delen dat het afleveren van de correcte documenten met de nodige informatie van wezenlijk belang is. Zo kan de RVA een weloverwogen beslissing nemen in de dossiers die hen worden voorgelegd. Maar we verwachten ook van de RVA een eenduidige interpretatie. Want indien de RVA doorzet met zijn meest recente interpretatie, geldt dat het document C3 voortaan enkel dient aangeleverd te worden in de twee door hen beschreven situaties. Dit strookt vooralsnog niet met de berichten die ons momenteel bereiken via onze freelancers. 

Wat nu?

Als de RVA volhardt in de twee door hen aangehaalde situaties, moeten we ons ook vragen durven stellen bij allerlei randverschijnselen die zich zullen aandienen en waarvan de individuele kunstenaars het slachtoffer zullen zijn. Zoals bijvoorbeeld bij de art1bis-contracten:

  • Het bewijzen van dagelijkse onkosten: hoe zal dit gebeuren indien er geen duur aan de prestatie mag gelinkt zijn?
  • Wie gaat bepalen of de arbeidsongevallenverzekering van toepassing is indien er geen arbeidsduur is?

Uit de analyse blijkt dat RVA zijn voorkeur uitspreekt voor overeenkomsten onder Art1bis voor de toepassing van het concept taakloon. Het zal ervoor zorgen dat dit soort overeenkomsten aan belang zullen winnen. Vanuit welk oogpunt je dit ook bekijkt, een overeenkomst onder 1Bis biedt minder bescherming dan een klassieke arbeidsovereenkomst. De extra bescherming van het arbeidsrecht valt compleet weg.  Het inperken van het toepassingsgebied van het begrip taakloon zorgt niet enkel voor een verlies aan bescherming in de werkloosheid maar ook in andere takken van de sociale zekerheid.

Dit strookt niet met de erkenning van de wetgever dat artiesten een beroepscategorie is die extra bescherming verdient onder het sociaal recht.

U ziet, er komt meer bij kijken dan men zou verwachten. Het is nooit onze stijl geweest om hiermee uit te pakken maar weet dat onze specialisten en juristen in gesprek zijn met verschillende administratieve en politieke overheden. De sociale rechten van onze mensen moeten verdedigd worden. Zo willen wij naar de toekomst toe in één adem de grondslag helpen leggen voor een gezond kader voor creatieve werknemers.

Dit neemt niet weg dat we in eerste instantie wel de dialoog openhouden met de RVA zelf, en trachten tot een constructieve en pragmatische oplossing te komen in de lopende dossiers. Zo raden we jullie nu al aan om elke opdracht in taakloon zo goed mogelijk te documenteren. Zo is een toetsing van de RVA op basis van de realiteit mogelijk. De RVA kan immers nooit een algemene regel invoeren die verschillende situaties op identieke wijze behandelt.